Bill de Heer

Ochtenddauw en duivenstront

Joris reist naar Londen om er achter te komen waarom zijn vriendin hem verlaten heeft. Hij krijgt daarbij gezelschap van Patty en Hendrik. Een even beroemd als mysterieus schrijver zou wel eens de sleutel kunnen zijn. Lees nu Ochtenddauw en duivenstront!

Wil je meer van deze Pikas lezen ?

Ochtenddauw en duivenstront

Bill de Heer


Een papierprop en een gebroken pen op de salontafel.
Stilte.
Niet de geur van verse koffie of van haar sigaretten.

Dit is wat Joris opviel toen hij een maand geleden de woonkamer binnenstapte.
Hij had het papier ontvouwd op tafel en recht gestreken met zijn vuist, gezien hoe de voor haar handschrift kenmerkende sierlijke krullen schuilden achter een chaotische blauwe wervel van nijdige pennenstreken.
Enkele van de woorden, die ze blijkbaar verafschuwd moet hebben toen ze eenmaal op papier stonden, waren nog net leesbaar wanneer je het papier tegen het licht hield: Hoi, Ik kan, wil niet, einde, sorry, geloof ik.

Joris had het al een aantal keer willen opruimen, net zoals hij de pen had willen weggooien en de constant kriebelende haren in zijn gezicht, die nu een volle baard vormden, had willen afscheren. Starend naar zichzelf in de badkamerspiegel, had hij amper de energie gehad om de kraan open te draaien en zijn gezicht te wassen, laat staan om zijn scheermes op te tillen.
Meestal was zijn spiegelbeeld niet meer dan een silhouet; het licht liet hij bewust uit, uit angst dat zijn uiterlijke verval gelijk op was gegaan met zijn geestelijke aftakeling.

Whisky voor ontbijt. Onkruid als gedachten.

De ochtend was er een van verandering.
Een lege voorraadkast dwong hem naar buiten te gaan.
Hij wandelde door het park, een kortere weg naar de slijter.

De witte bloesem die onder de zolen van zijn schoenen plakte, deed hem normaal gesproken altijd aan dons denken. Nu leek het alsof het hele park bezaaid was met opengereten, witte konijntjes.
De ingewanden verstopt onder die witte deken. Hij voelde ze vastzuigen bij iedere stap.
De zon leek uit op zijn ogen. In gedachte gloeide zijn hoofd alsof hij zijn lippen om de kop van een zaklamp had getrokken.
Drie ondergedoken zwanen, hun driehoekige achterwerk naar de blauwe hemel gericht, waren plots een onderwaterparade van de Ku Klux Klan.
Hij ging op een parkbank zitten. Lachte zichzelf hardop uit, jankte een laatste keer, lachte nogmaals, sloeg zichzelf met vlakke hand in het gezicht en nam een besluit: verder leven.
Het leven zonder haar was moeilijk geweest; leven met de slappe zak die hij geworden was, die zielige lul vol zelfmedelijden, nog veel lastiger.
De slijterij besloot hij voorbij te lopen. Bij de bakker haalde hij nog warme croissantjes, bij de buurtsuper een fles verse jus d’orange en een rol extra grote vuilniszakken.

Joris verfrommelt het stuk papier weer tot een prop en laat het vallen in de al voor de helft gevulde vuilniszak aan zijn voeten.
Tijdschriften, maandverband, twee pakjes sigaretten, de spuuglelijke koekoeksklok die ze van haar moeder hadden gekregen en een doos met sieraden.
Wat moest hij anders? Al die spullen die hem aan haar deden denken bewaren?
Dan had ze maar iets van zich moeten laten horen of in ieder geval een briefje neer moeten leggen waar hij iets mee kon.
Jij bent een klootzak. Ik ga bij je weg. Ik kom niet meer terug, dat was duidelijk geweest.
Hij voelt zich geen klootzak. Slaan of schelden doet hij niet. Andere vrouwen houdt hij er niet op na.
Ze had geen enkele aanwijzing gegeven. Nog nooit. Natuurlijk was er wel eens ruzie, dat ging dan over wie de pindakaas had opgemaakt of over modderpoten op een zojuist gedweilde vloer. Dat soort dingen.
Hij was wellicht niet de hoffelijke held uit de romans van haar favoriete schrijver, een klootzak was hij niet.
Met zijn wijsvinger trekt hij een spoor over de boeken in hun kast, haar boeken kantelt hij naar zich toe en laat hij op de grond vallen.

Zeker de helft van de boeken die verspreid over de grond liggen, als aangereden vogels, zijn Hofleys.
Op pagina vier van al die boeken schreef de man altijd de meest wonderlijke en intrigerende quotes, die hij verwees naar een van de stemmen in zijn hoofd. Maar door de verhalen, die Joris nogal saai en voorspelbaar vond, was hij nog nooit heen gekomen.
Soms las hij enkele willekeurige fragmenten en ging dan door naar de laatste bladzijde om te zien of hij het einde had zien aankomen. Het antwoord was altijd bevestigend.

‘Wat vind je hier nu aan?’
‘Die man begrijpt me.’

Hij pikt een van de slachtoffers op en laat het rond gaan in zijn hand. De kaft wordt voor het grootste deel ingenomen door de close-up van het gezicht van een jonge vrouw. Haar felblauwe ogen springen eruit.
De titel, Het zondagsmysterie, en de naam, David Hofley, in hetzelfde diepblauw vullen de rest van de voorzijde. Achterop staat een zwart-witfoto van Hofley. Hij leunt met zijn kin op zijn hand, starend in het niets.

Die man begrijpt me, had ze gezegd.
Die man wist waarom ze hem verlaten had.
Hij moet die man maar een keer opzoeken.

Het idee dat er een persoon rondloopt die weet wat hij fout heeft gedaan, zet Joris aan het denken: gedachten die herhaaldelijk, oneindig, als lange, puntige nagels langs de binnenkant van zijn schedel schrapen.
Om twee uur ’s nachts houdt hij het niet langer, springt uit bed, en bestelt een ticket voor een vlucht naar Londen, die nog geen twaalf uur later vertrekt.


  • app store
  • google play